
Inhoud en opbouw van het onderwijs
De eerste twee jaar vormen de basis van de opleiding. De student wordt onderwezen in de technieken van het toneelspelen. Hierbij neemt de tekstbehandeling een prominente plaats in: het leren spelen en regisseren van een tekst. De tekst is uitgangspunt en informatiebron. Het adagio is niet wat zal ik eens met deze tekst van Shakespeare of Tsjechov doen, maar wat doet Shakespeare of Tsjechov met mij. Daarnaast leert de student de inhoud van voornoemde teksten te toetsen aan hun hedendaagse maatschappelijke relevantie. Waar schuurt de inhoud met de nerf van onze tijd, met de maatschappij waarin wij leven? Verder bevat het programma ( vormgerichte) lessen in theatertechniek (belichting en geluid), decor-en kostuumontwerp. Vorm en inhoud zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, want met welk beeld of met welke vormelementen maak je de inhoud helder en leesbaar? In de theorielessen wordt de student onderwezen in de toneelgeschiedenis, dramaturgie en voorstellingsanalyse. Zowel het eerste als het tweede jaar wordt afgesloten met het maken van een etude. In het eerste jaar op basis van een student gekozen scene uit hetwereldrepetoire die hij met professionele acteurs of met studenten uit de acteursopleiding ensceneert. Deze etude is bepalend voor het behalen van de propedeuse en de toelating tot het tweede jaar.
Het derde jaar is het jaar van verdieping en inzicht. Het is volledig gewijd aan Shakespeare. In vier workshops, met elk een verschillende ingang en doelstelling, worden zijn stukken naar inhoud en vorm bestudeerd. Shakespeare is een referentiepunt, een soort bijbel voor de regisseur. Het werk van Shakespeare verschaft structuur en inzicht in het denken over theater, zowel qua thema als schriftuur, en is daarmee onontbeerlijk voor de opleiding van een regisseur.
In deze workshops maken studenten etudes met teksten uit zijn stukken. Cruciaal halverwege het derde jaar is de 'thema-workshop'. Met tekstmateriaal van Shakespeare maakt de student een voorstelling van een half uur met als thema's, de paradox van het leven (zin en onzin van het bestaan) en de paradox van de kunst (schijn en werkelijkheid). Immers, als kunstenaar- of je nu theater maakt, schilder of musiceert- zul je altijd tot deze twee paradoxen moeten verhouden. Ze zijn de motor van je kunstenaarschap. Wat wil kunst anders dan het onnoembare, het onzegbare voelbaar en tastbaar maken? De kunst komt soms veel dichter in de buurt van de grote metafysische vraagstukken, onze grote levensvragen, dan de wetenschap. De student zet hier de eerst stap op een weg die hij zijn leven lang zal bewandelen. Op het eind van het derde jaar maakt de student zijn eerste eigen voorstelling. Het stuk en de mensen waarmee hij dan wil werken (acteurs,scenograaf, dramaturg,etc) is geheel zijn eigen keuze.
Het vierde jaar is zeer individueel gericht. De studenten specialiseren zich op grond van hun persoonlijke talent, interesse en drijfveren door het maken van eigen voorstellingen. In de eerste helft van het schooljaar is behoorlijk wat vrije tijd gemaakt voor 'het productiemodel'. De toekomstige regisseur zit voor de eerste keer niet alleen met acteurs aan tafel, maar ook met een dramaturg, een scenograaf, een geluids-en lichtontwerper, een productiemedewerker (publiciteit en zakelijk). We bootsen hier het professionele model na omdat je later als regisseur al deze mensen van je plannen moet kunnen overtuigen en wat meer is, enhousiasmeren. Later in het jaar loopt de student als regie assistent stage bij een professionele theatergezelschap, schrijft een statement en maakt zijn eindexamen productie, onder begeleidng van een ervaren regisseur en uitgevoerd met zowel professionele acteurs als met studenten van de Amsterdamse Toneelschool&Kleinkunstacademie.